Psychomotoriek en bewegingsvaardigheden bij kleuters

In een eerste studie werd het gemiddelde leeftijdsgebonden vaardigheidsniveau van de Vlaamse kleuters tussen 4 en 6 jaar gekwantificeerd. Een belangrijk hiaat in deze kennis aangaande de psychomotorische ontwikkeling was echter dat binnen eenzelfde vaardigheidsniveau grote verschillen in de kwaliteit van de beweging werden vastgesteld. In een vervolgstudie werd de kwalitatieve bewegingsuitvoering van deze populatie in kaart gebracht.

Het onderzoek beantwoordt onderstaande vragen:

  • Hoe verloopt de ontwikkeling van de fundamentele bewegingen bij de Vlaamse kleuters?
  • Welke kwalitatieve ontwikkelingsmijlpalen met betrekking tot de fundamentele bewegingen kunnen we vaststellen?
  • Hoe kunnen we de huidige MOT 4-6 test van Zimmer & Volkamer (1987) verfijnen en afstemmen op de Vlaamse onderwijssituatie?

Bijkomende doelstellingen:

  • Wanneer kan men spreken van een geremde of een gevorderde ontwikkeling van de psychomotoriek?
  • Waar situeert de huidige ontwikkeling van de psychomotorische vermogens van Vlaamse kleuters zich ten opzichte van deze van kleuters uit onze buurlanden?
  • Welke oefenprogramma’s kunnen dit leerproces versnellen en beïnvloeden?
  • Welke zijn de ontwikkelingsgevoelige periodes voor het stimuleren van fundamentele bewegingen?
  • Welke vaardigheden ontwikkelen het snelst? Bv. Evenwicht versus kleine motoriek

Het koppelen van de kwantitatieve en kwalitatieve studies levert een totaalbeeld op het niveau van de psychomotoriek opleveren. Meer in het bijzonder zal men kunnen aangeven of een kleuter vanuit psychomotorisch standpunt al dan niet de gemiddelde ontwikkeling volgt. Dankzij het kwalitatieve evaluatieprotocol kan de bewegingsopvoeder, alsook de kleuteronderwijzer het ontwikkelingsniveau achterhalen en in het geval van achterstand kan dan de hulp worden ingeroepen van de kinesitherapeut om op gerichte wijze door middel van de beschrijving van de ontwikkeling van de fundamentele bewegingen tot een bijsturing te komen op basis van een gericht oefenprogramma. Deze inzichten dragen bij tot de ontwikkeling van een (werk)instrument dat gehanteerd kan worden door een zorgleerkracht binnen het vak lichamelijke opvoeding.

Bestand

Bijlage Grootte
1.12 MB